Het pensioenreglement

Het pensioenreglement bevat de modaliteiten van de pensioentoezegging en maakt integraal deel uit van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 2006, gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst van 26 september 2008. Het is onderworpen aan alle bepalingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingsstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en diens uitvoeringsbesluiten (hierna WAP genoemd) die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het pensioenreglement, los van het feit of er al dan niet expliciet in het pensioenreglement naar deze bepalingen wordt verwezen.
Het pensioenreglement zal door de inrichter op eenvoudig verzoek ter beschikking worden gesteld van de aangeslotenen.

Definities en begripsbepalingen 

Artikel 1. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder: 

1° Pensioentoezegging 
De toezegging van een aanvullend pensioen, gedaan door de inrichter aan de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 2006, gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst van 26 september 2008 

2° Inrichter 
Het FBZ “Fonds 2de pensioenpijler PC 121” 

3° Aangeslotene 
De arbeider (M/V) die behoort tot de categorie van personeel waarvoor de inrichter onderhavig pensioenstelsel heeft ingevoerd en die aan de aansluitingsvoorwaarden van het pensioenreglement voldoet en de gewezen werknemer die nog steeds actuele of uitgestelde rechten geniet overeenkomstig dit pensioenreglement. 

4° Uittreding 
De beëindiging van de arbeidsovereenkomst (of arbeidsovereenkomsten, indien de aangeslotene bij meer dan een werkgever tewerkgesteld is die elk ressorteren onder het Paritair Comité voor de Schoonmaak PC 121) anders dan door overlijden of pensionering, voor zover de werknemer binnen de vier kwartalen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst(en) geen nieuwe arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werkgever die eveneens ressorteert onder hetzelfde Paritair Comité. 

5° Pensioeninstelling 
De door de inrichter aangeduide verzekeringsmaatschappij die voldoet aan de voorwaarden gesteld door art 10, §1, 4° van de WAP en aan dewelke de uitvoering van de pensioentoezegging is toevertrouwd. 

6° Verworven prestaties 
De prestaties waarop de aangeslotene aanspraak kan maken in overeenstemming met dit pensioenreglement, indien hij bij zijn uittreding zijn verworven reserves bij de pensioeninstelling laat. 

7° Verworven reserves 
De reserves waarop de aangeslotene op een bepaald ogenblik recht heeft in overeenstemming met dit pensioenreglement. 

8° Pensioenleeftijd 
Met de pensioenleeftijd wordt de leeftijd bedoeld vanaf dewelke de aangeslotene van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld rustpensioen geniet. De normale pensioenleeftijd is 65 jaar. 

9° Einddatum 
De einddatum wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand volgend op de pensioenleeftijd van de aangeslotene, op voorwaarde dat de begunstigde op dat ogenblik minstens de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De normale einddatum valt op de eerste dag van de maand volgend op de normale pensioenleeftijd van de aangeslotene, namelijk 65 jaar. Op zijn vraag kan de aangeslotene die geniet van het statuut van voltijds bruggepensioneerde de uitbetaling van zijn prestaties verkrijgen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. 

10° Wettelijk samenwonende 
De persoon die samen met zijn of haar samenwonende partner een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek. 

11° Werkgevers 
De werkgevers die onder het Paritair Comité voor de Schoonmaak PC 121 ressorteren. 

12° Financieringsfonds 
Het fonds, beheerd door de pensioeninstelling en waarvan de werking wordt bepaald in artikel 19. 
Gezien deze pensioentoezegging een integrerend onderdeel uitmaakt van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, dienen in het pensioenreglement gehanteerde termen die niet zouden opgenomen zijn in de hiervoor vermelde begrippenlijst te worden opgevat in hun betekenis die de WAP hen toekent. 

Type van de pensioentoezegging

Artikel 2. De pensioentoezegging bestaat in het storten van vooraf vastgestelde bijdragen. Deze bijdragen zijn exclusief ten laste van de werkgevers.

Aansluitingsvoorwaarden

Artikel 3. Alle arbeiders zowel deeltijds als voltijds tewerkgesteld via een arbeidsovereenkomst (ongeacht de aard van hun arbeidsovereenkomst) door een werkgever die onder het Paritair Comité voor de Schoonmaak PC 121 ressorteert, worden verplicht aangesloten bij dit pensioenplan. De toetreding gebeurt onmiddellijk ongeacht de leeftijd en zonder geneeskundig onderzoek.

  • Worden evenwel niet aangesloten bij dit pensioenplan : de personen tewerkgesteld via een overeenkomst van studentenarbeid;
  • de personen tewerkgesteld via een overeenkomst voor uitzendarbeid, zoals geregeld door hoofdstuk II van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van de werknemers ten behoeve van gebruikers;
  • de personen tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst gesloten in het kader van een speciaal door met steun van de overheid gevoerd opleidings‐, arbeidsinspannings‐, en omscholingsprogramma. 

Bijdragen

Artikel 4. Voor alle arbeiders bedoeld in artikel 3 wordt ten laste van de betrokken werkgever elke trimester een individuele bijdrage gestort voor de financiering van een aanvullend pensioen. Deze bijdrage wordt bepaald per CAO en wordt vanaf 1 januari 2008 vastgesteld op 1,32 % (werkingskosten inbegrepen) van het brutoloon, berekend aan 108 % en waarop RSZ‐inhoudingen worden gedaan. 

Pensioeninstelling en verandering van pensioeninstelling

Artikel 5. De inrichter duidt voor de uitvoering van de pensioentoezegging een pensioeninstelling aan onder de erkende verzekeraars die voldoen aan de voorwaarden opgelegd door artikel 10, §1, 4° van de WAP. Een verandering van pensioeninstelling en de eventueel hiermee verbonden overdracht van verworven reserves, winstdelingen en financieringsfonds is onderworpen aan de voorwaarden bepaald door artikel 34 tot en met 37 van de WAP. In voorkomend geval licht de inrichter de aangeslotenen, alsook de CBFA in over de wijziging van pensioeninstelling. Conform artikel 38 van de WAP kan 10 % van de werkgevers of werknemers vragen dat de Raad voor Aanvullende Pensioenen het stelsel onderzoekt. In geval het rendement ondermaats is, kan de Raad voor Aanvullende Pensioenen aanbevelen om van pensioeninstelling te veranderen of het beheer geheel of gedeeltelijk uit te besteden aan andere beheerders.

Verplichtingen van de inrichter

Artikel 6. De inrichter gaat tegenover alle aangeslotenen de verbintenis aan alles te doen wat voor de goede uitvoering van de CAO bedoeld in art. 1, 1° vereist is. Hij zal alle geïnde pensioenbijdragen zo spoedig mogelijk aan de pensioeninstelling doen toekomen. Bovendien zal hij alle voor de pensioeninstelling nodige of gewenste inlichtingen zo spoedig mogelijk bezorgen.

Verplichtingen van de aangeslotenen en zijn rechthebbende(n).

Artikel 7. De aangeslotene onderwerpt zich aan de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1, 1°. Hij machtigt de inrichter de nodige verzekeringen op zijn leven af te sluiten. De aangeslotene machtigt de inrichter, zowel bij het aangaan van de verzekeringscontracten als tijdens de duur daarvan, aan de pensioeninstelling alle inlichtingen te verschaffen die voor het opmaken en voor de uitvoering van het contract vereist zijn.
Om de uitkering te bekomen van de pensioentoezegging in geval van pensionering of overlijden maakt de aangeslotene of in voorkomend geval zijn rechthebbende(n) aan de inrichter een aanvraagformulier over met alle nodige inlichtingen, samen met de nodige bewijsstukken die nodig zijn om de contractuele verplichtingen tegenover de aangeslotene of zijn rechthebbende(n) zonder uitstel na te komen. De inrichter stelt dit formulier op eenvoudige aanvraag ter beschikking van de aangeslotene of zijn rechthebbende(n)
Mocht(en) de aangeslotene of zijn rechthebbende(n) een van de opgelegde verplichtingen niet nakomen, en mocht daardoor voor hem (hen) enig verlies van recht ontstaan, dan zal de inrichter in dezelfde mate als de pensioeninstelling ontslagen zijn van zijn verplichtingen tegenover de aangeslotene of zijn rechthebbende(n) in verband met de bij dit pensioenreglement geregelde prestaties.
De aangeslotene, en namens de aangeslotene, zijn begunstigden en rechthebbenden, verlenen de toestemming aan de pensioeninstelling om behoudens andersluidende wettelijke bepalingen de gekapitaliseerde waarde van niet‐opgevraagde en wettelijk vervallen en verjaarde overlijdenskapitalen en pensioenkapitalen zoals bedoeld in artikel 8 in het financieringsfonds te storten, en zien af van enig verder verhaal tegen de inrichter en de pensioeninstelling.

Verzekerde bedragen  

Artikel 8. Het huidig pensioenstelsel heeft, ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld rustpensioen, tot doel:

  • een kapitaal of rente uit te keren aan de aangeslotene indien hij in leven is op de einddatum.
  • bij overlijden van de aangeslotene vóór de einddatum, een kapitaal of rente uit te keren aan de in dit reglement bepaalde begunstigden. 

De aangeslotene moet gedurende minstens 156 RSZ dagen voldaan hebben aan de aansluitingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 3 binnen een periode van tien jaar te rekenen vanaf de datum waarop de betrokkene voor het eerst aan deze aansluitingsvoorwaarden heeft voldaan alvorens hij aanspraak kan maken op verworven reserves en prestaties zoals bedoeld door artikel 17 van de WAP. 
Voor een aangeslotene die tijdens zijn vorige beroepsloopbaan in de sector aan de vorige voorwaarde niet heeft voldaan, en later terug bij een werkgever tewerkgesteld wordt die onder het PC 121 ressorteert, is dezelfde voorwaarde van kracht met dien verstande dat de datum waarop de betrokkene voor het eerst aan deze aansluitingsvoorwaarden heeft voldaan dient verstaan als de datum waarop de arbeider opnieuw tewerkgesteld werd in de sector en terug aan de aansluitingsvoorwaarden voldeed. 

De prestaties, zowel bij leven op de einddatum als bij overlijden voor die datum, worden opgebouwd door middel van een levensverzekering, afgesloten door de inrichter op het leven van de aangeslotene, van het type “uitgesteld kapitaal met tegenverzekering van de reserve”, welke een kapitaal waarborgt dat hetzij op de einddatum hetzij bij vooroverlijden van de aangeslotene onmiddellijk betaalbaar is of kan worden omgezet in een lijfrente volgens de modaliteiten bepaald in artikel 10. 
Het voorziene kapitaal bij einddatum is gelijk aan de som van de betaalde bijdragen verhoogd met gewaarborgde intrestopbrengsten en verminderd met de tariefopslagen voor beheer. Het voorziene kapitaal bij overlijden is gelijk aan hetzelfde bedrag, zoals bestaande op het ogenblik van vroegtijdig overlijden. Beide bedragen worden desgevallend verhoogd met de winstdeling toegekend door de pensioeninstelling. De winstdeling wordt jaarlijks toegekend in de vorm van een reserveverhoging en is definitief verworven door de aangeslotenen. 
Eventuele tekorten ten opzichte van de minimumbedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24, § 2 van de WAP, zijn ten laste van de inrichter die hiervoor het financieringsfonds kan aanwenden. 

Uitbetaling van de prestaties 

Artikel 9. Naargelang van het geval bestaat de prestatie uit de uitkering van een kapitaal of een rente, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 10. De uitbetalingmodaliteiten van de kapitalen of renten zijn als volgt:

  1. Indien de aangeslotene in leven is (of was) op de einddatum, dient hij of zijn rechthebbende(n) onverwijld het formulier bedoeld in artikel 7 bij de inrichter op te vragen en na invulling en toevoeging van de gevraagde bewijsstukken aan de inrichter terug te bezorgen.
     
  2. Indien de aangeslotene overlijdt vóór de einddatum, wordt de prestatie die voorzien wordt ingeval van overlijden voor de einddatum vereffend als volgt:

    a) ten bate van zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijk samenwonende partner op voorwaarde dat de betrokkenen:
    - niet uit de echt gescheiden zijn;
    - niet van tafel en bed gescheiden zijn;
    - niet feitelijk gescheiden zijn;
    - niet verwikkeld zijn in een echtscheidingsprocedure op grond van bepaalde feiten;
    - zich niet bevinden in de proeftijd die een echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaat.

    b) bij ontstentenis, ten bate van (een) andere natuurlijke perso(o)n(en) die door de aangeslotene door middel van een aangetekend schrijven kenbaar werd(en) gemaakt aan de pensioeninstelling. Het aangetekend schrijven dient zowel voor de pensioeninstelling als voor de aangeslotene als bewijs van de aanduiding. De aangeslotene kan op elk moment deze aanduiding herroepen door middel van een nieuw aangetekend schrijven. Indien de aangeslotene na deze aanduiding zou huwen of hij samen met zijn partner een wettelijk samenlevingscontract zou onderschrijven, en er dus een persoon is zoals beschreven in punt 1) hiervoor, wordt deze aanduiding geacht definitief herroepen te zijn;

    c) bij ontstentenis, ten bate van zijn kinderen of van hun rechtverkrijgenden, bij plaatsvervulling; voor gelijke delen;

    d) bij ontstentenis, ten bate van zijn ascendenten, voor gelijke delen;

    e) bij ontstentenis, ten bate van zijn broers en zusters, voor gelijke delen;

    f) bij ontstentenis, aan de andere wettelijke erfgena(a)m(en) met uitzondering van de Staat;

    g) bij ontstentenis, aan het Solidariteitsfonds PC 121.

    Om de prestatie voorzien in geval van overlijden te kunnen ontvangen dient/dienen de begunstigde(n) onverwijld het formulier bedoeld in artikel 7 bij de inrichter op te vragen en na invulling en toevoeging van de gevraagde bewijsstukken aan de inrichter terug te bezorgen.
     
  3. Uitkeringen gebeuren rekening houdend met de wettelijke afhoudingen voor sociale lasten, belastingen en taksen.
     
  4. De prestaties worden ten vroegste effectief uitgekeerd door de pensioeninstelling vanaf 1 januari 2010 (zonder rendementsverlies voor de begunstigde(n)).
     
  5. Indien de aangeslotenen of hun begunstigden of rechthebbenden zich niet spontaan en binnen een redelijke termijn aanmelden zal de pensioeninstelling zich van al haar wettelijke verplichtingen tot opzoeking van de aangeslotenen en hun begunstigden of rechthebbenden kwijten. De pensioeninstelling noch de inrichter kunnen aansprakelijk gesteld worden indien deze opzoekingen zonder gevolg blijven.

Omzetting van kapitalen in renten

Artikel 10. De aangeslotene of, in voorkomend geval, zijn begunstigde(n) of rechthebbende(n) heeft (hebben) het recht om de omvorming te vragen van het uit te keren kapitaal in een rente onder de voorwaarden bepaald in artikel 28 van de WAP.
De pensioeninstelling brengt de aangeslotene of, in voorkomend geval, diens begunstigde(n) of rechthebbende(n) van dit recht op de hoogte twee maanden vóór de einddatum volgend uit de normale pensioenleeftijd of binnen de twee weken nadat hij van de vervroegde pensionering of van het overlijden op de hoogte is gebracht.
Indien binnen de maand te rekenen vanaf de hiervoor vermelde kennisgeving, geen aanvraag in deze zin door de aangeslotene, de begunstigde(n) of zijn rechthebbende(n) aan de pensioeninstelling wordt betekend, wordt verondersteld dat hij, zijn begunstigde(n) of zijn rechthebbende(n) geopteerd heeft (hebben) voor de eenmalige kapitaalsuitkering.

Schatting ontbrekende loongegevens

Artikel 11. Om de berekening en de uitkering van de verschuldigde prestaties te bespoedigen zal de pensioeninstelling de loongegevens die op het ogenblik van de opname van het pensioenkapitaal of van het overlijden van de aangeslotenen ontbreken ramen op basis van de volgende regel:

loonbedrag betreffende de ontbrekende periode  = (n/365) x het meest recente volledige jaarloon meegedeeld door de inrichter

waarbij

n = het aantal dagen tussen het einde van de laatste periode waarvoor loonsgegevens werden meegedeeld en de datum van het overlijden, het (vervroegd) pensioen of het voltijds brugpensioen. (gebroken getal, 2 decimalen)

De premie die op de individuele rekening moet worden gestort, wordt berekend conform artikel 4.

Verworven reserves en prestaties

Artikel 12. De verworven reserves en prestaties worden berekend door de pensioeninstelling uitgaande van de bijdragen die voor rekening van de aangeslotene gestort zijn sinds zijn aansluiting. De aangeslotene moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 8 alvorens hij aanspraak kan maken op verworven reserves en prestaties.

Uittreding 

Artikel 13. Wanneer een aangeslotene de inrichter inlicht over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst(en) zoals bedoeld in art. 1, 4°, of indien de inrichter vaststelt dat een aangeslotene gedurende meer dan vier opeenvolgende kwartalen niet meer voorkomt op de DMFA aangifte, stelt de inrichter de pensioeninstelling hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. Indien de uitgetreden aangeslotene aanspraak kan maken op verworven reserves en prestaties, deelt de pensioeninstelling hem uiterlijk 30 dagen na deze kennisgeving schriftelijk, met kopie aan de inrichter, het bedrag van de verworven reserves mede, desgevallend aangevuld tot de minimumbedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24, § 2 van de WAP, en rekening houdend met de op dat moment bekende gegevens aangaande brutoloon en aansluitingsperiode van de uittreder, het bedrag van de verworven prestaties met behoud van de overlijdensdekking alsook de hierna opgesomde keuzemogelijkheden waarover de aangeslotene beschikt conform artikel 32 van de WAP. 

De aangeslotene dient binnen de 30 dagen de pensioeninstelling te informeren voor welke van de volgende mogelijkheden hij opteert: 

  1. de verworven reserves desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd in toepassing van art 24 van de WAP overdragen naar de pensioeninstelling van :
    a) ofwel de nieuwe werkgever met wie hij een arbeidsovereenkomst gesloten heeft, zo hij aangesloten wordt bij de pensioentoezegging van die werkgever;
    b) ofwel de nieuwe inrichter van een sectoraal pensioenstelsel waaronder de werkgever ressorteert met wie hij een arbeidsovereenkomst gesloten heeft, zo hij aangesloten wordt bij de pensioentoezegging van die inrichter;
     
  2. de verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24 van de WAP, overdragen naar een pensioeninstelling die de totale winst onder de aangeslotenen in verhouding tot hun reserves verdeelt en de kosten beperkt volgens de regels vastgesteld door de Koning;
     
  3. de verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24 van de WAP, bij de pensioeninstelling laten zonder wijziging van de pensioentoezegging, met dit verschil dat er verder geen bijdragen meer worden gestort voor de aangeslotene. 

Wanneer de aangeslotene de voormelde termijn van 30 dagen laat verstrijken, wordt hij verondersteld te hebben gekozen voor de mogelijkheid bedoeld in 3°. Na het verstrijken van deze termijn kan de aangeslotene evenwel te allen tijde vragen om zijn reserves over te dragen naar een pensioeninstelling bedoeld in 1° of 2° hiervoor. 

De pensioeninstelling zal er voor zorgen dat de gemaakte keuze binnen de 30 daaropvolgende dagen gerealiseerd wordt. Indien nodig worden na ontvangst van de definitieve gegevens met betrekking tot het brutoloon en aansluitingsperiode van de aangeslotene de eventuele voorlopige bedragen aan verworven reserves en verworven prestaties aangepast. De over te dragen verworven reserve in geval gekozen wordt voor 1° of 2° zal geactualiseerd worden tot op de datum van de effectieve overdracht. 

Toezichtscomité en transparantieverslag

Artikel 14. Indien de pensioeninstelling niet op paritaire wijze wordt beheerd, wordt een toezichtscomité opgericht dat voor de helft is samengesteld uit leden die de werknemers vertegenwoordigen aan wie de onderhavige pensioentoezegging wordt gedaan, aangeduid overeenkomstig artikel 41, §2 van de WAP.
Dit toezichtscomité ziet toe op de goede uitvoering van de pensioentoezegging door de pensioeninstelling en wordt jaarlijks in het bezit gesteld van het transparantieverslag bedoeld in artikel 15 alvorens de pensioeninstelling dit ter beschikking stelt van de inrichter.

In geval de bijdragen gestort worden in een afgezonderd fonds van de pensioeninstelling, beslist het toezichtscomité jaarlijks welk percentage van de winst gerealiseerd in het afgezonderd fonds aan de aangeslotenen zal toegekend worden als winstdeelname.

Artikel 15. Onder de naam "transparantieverslag" zal de pensioeninstelling jaarlijks een verslag opstellen over het door haar gevoerde beheer van de pensioentoezegging en dit ‐ na raadpleging van het eventuele toezichtscomité ‐ ter beschikking stellen van de inrichter die het op eenvoudig verzoek meedeelt aan de aangeslotenen.

Het verslag betreft de volgende elementen:

  1. de financieringswijze van de pensioentoezegging en de structurele wijzigingen in die financiering;
  2. de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;
  3. het rendement van de beleggingen;
  4. de kostenstructuur;
  5. in voorkomend geval, de winstdeling. 

Reserves afkomstig uit een vroegere tewerkstelling

Artikel 16. Indien een aangeslotene bij zijn toetreding zijn verworven reserves met betrekking tot een vroegere tewerkstelling, voor zover deze reserves onder het toepassingsgebied van de WAP vallen, wenst over te dragen naar het huidige sociaal sectoraal pensioenstelsel zal hij de inrichter hierover inlichten en op diens aanwijzingen deze reserves laten storten aan de pensioeninstelling die ze zal beheren conform de bepalingen van de WAP.

Jaarlijkse informatie aan de aangeslotenen 

Artikel 17. De inrichter zal ten minste één maal per jaar aan de aangeslotenen, met uitzondering van de rentegenieters, een pensioenfiche bezorgen op basis van de gegevens verstrekt door de pensioeninstelling, waarop de elementen vermeld worden voorzien door artikel 26 §1 van de WAP, en onder meer:

  • het bedrag van de verworven reserves, desgevallend met vermelding van het bedrag van de waarborgen vermeld in artikel 24 van de WAP;
  • het bedrag van de verworven prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn. 

Op eenvoudig verzoek van de aangeslotene deelt de inrichter op basis van de gegevens verstrekt door de pensioeninstelling een historisch overzicht mee van de voormelde gegevens met betrekking tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling. 

Voor alle aangeslotenen vanaf de leeftijd van 45 jaar deelt de inrichter, conform artikel 26 §3 van de WAP, ten minste om de vijf jaar het bedrag mee van het bij pensionering te verwachten kapitaal op de normale einddatum of, indien het kapitaal kan worden omgezet in rente volgens de bepalingen van artikel 10, de te verwachten rente op de normale einddatum. 

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer 

Artikel 18. De inrichter en de pensioeninstelling verbinden zich ertoe de wetgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer te eerbiedigen. Zij zullen de persoonsgegevens waarvan zij in kennis gesteld worden in het kader van de huidige overeenkomst slechts mogen verwerken in overeenstemming met het voorwerp van deze overeenkomst. De inrichter en de pensioeninstelling verbinden zich ertoe om de gegevens bij te werken, te verbeteren, alsook de onjuiste of overbodige gegevens te verwijderen. 

Zij zullen de gepaste technische en organisatorische maatregelen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de persoonsgegevens tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, het toevallig verlies, de wijziging van of de toegang tot, en iedere andere niet toegelaten verwerking van persoonsgegevens. 

Werking van het financieringsfonds 

Artikel 19. De inrichter stort de bijdragen bepaald in artikel 4 in afwachting van de regularisatie van de contracten van de aangeslotenen op basis van de definitieve loonsgegevens in het financieringsfonds waaruit de pensioeninstelling de nodige bedragen put om de contracten van de aangeslotenen te spijzen. Het financieringsfonds kan ook andere inkomsten innen, onder meer beleggingsopbrengsten, niet‐opgevraagde en verjaarde kapitalen zoals bedoeld in artikel 7 en niet‐verworven reserves, zoals bedoeld in artikel 8 en artikel 13. Het financieringsfonds kan eveneens gecrediteerd of gedebiteerd worden met het eventuele verschil tussen de door de inrichter geïnde bijdragen en de bijdragen die effectief op de rekeningen van de aangeslotenen worden gestort, onder meer als gevolg van de toepassing van artikel 11. 
Op beslissing van de inrichter kan het financieringsfonds worden gedebiteerd met de sommen die nodig zijn om eventuele tekorten ten opzichte van de minimumbedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24, § 2 van de WAP, te financieren. 
Een eventueel negatief saldo van het financieringsfonds dient zonder verwijl worden aangezuiverd door de inrichter. In geen geval kan het financieringsfonds terug aan de inrichter worden gestort. 

Aanvang 

Artikel 20. Dit pensioenreglement vangt aan op 1 januari 2008 en wordt aangegaan voor onbepaalde duur. 

Wijziging en opheffing van het pensioenreglement

Artikel 21. Een wijziging of opheffing van het pensioenreglement kan in geen geval leiden tot een vermindering van de verworven reserves, desgevallend aangevuld met de waarborgen van artikel 24 van de WAP, van de aangeslotenen die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 8.

Indien bij de opheffing van het pensioenstelsel de bij de pensioeninstelling aanwezige reserves met inbegrip van het saldo van het financieringsfonds de som van alle verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de minimumbedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24, § 2 van de WAP, overtreffen, verwerven de aangeslotenen, die bij de opheffing van het pensioenreglement voldeden aan de voorwaarden bepaald in artikel 8, een aandeel in het overschot aan aanwezige reserves dat in verhouding staat tot de door hen verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de minimumbedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24, § 2 van de WAP.
 

Terug naar boven