Het solidariteitsreglement

Het solidariteitsreglement bevat de modaliteiten van de solidariteitstoezegging en maakt integraal deel uit van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 2006, gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst van 26 september 2008. Het is onderworpen aan alle bepalingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingsstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en diens uitvoeringsbesluiten (hierna WAP genoemd) die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op het solidariteitsreglement, los van het feit of er al dan niet expliciet naar deze bepalingen wordt verwezen in het solidariteitsreglement. Het solidariteitsreglement dient in samenhang met het pensioenreglement gelezen te worden.

Het solidariteitsreglement zal door de inrichter op eenvoudig verzoek ter beschikking worden gesteld van de aangeslotenen.

Definities en begripsomschrijvingen

Artikel 1. Voor de toepassing van, dit reglement wordt verstaan onder:

1° Solidariteitstoezegging
De toezegging van de in dit solidariteitsreglement bepaalde prestaties door de inrichter aan de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden. De solidariteitstoezegging dient beschouwd te worden als een aanvulling op de pensioentoezegging.

2° Inrichter
Het FBZ “Fonds 2de pijlerpensioen PC 121”.

3° Aangeslotene
De arbeider (M/V) die behoort tot de categorie van personeel waarvoor de inrichter het sociaal sectoraal pensioenplan en dus onderhavige solidariteitstoezegging heeft ingevoerd en die aan de aansluitingsvoorwaarden van het solidariteitsreglement voldoet.

4° Solidariteitsbesluit
Koninklijk Besluit van 14 november 2003 tot vaststelling van de solidariteitsprestaties verbonden met de sociale aanvullende pensioenstelsels.

5° Financieringsbesluit
Koninklijk Besluit van 14 november 2003 tot vaststelling van de regels inzake de financiering en het beheer van de solidariteitstoezegging.
Gezien deze solidariteitstoezegging een integrerend onderdeel uitmaakt van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, dienen in het solidariteitsreglement gehanteerde termen die niet zouden opgenomen zijn in de hiervoor vermelde begrippenlijst te worden opgevat in hun betekenis in het licht van de WAP of van de in artikel 1 van het pensioenreglement opgenomen begrippenlijst.

Aansluitingsvoorwaarden

Artikel 2. Alle arbeiders bedoeld in artikel 3 van het pensioenreglement worden verplicht aangesloten bij de solidariteitstoezegging.

Bijdragen en financiering van de solidariteitsprestaties 

Artikel 3. Voor alle arbeiders bedoeld in artikel 2 zal ten laste van de werkgever elke trimester een bijdrage worden gestort voor de financiering van de solidariteitstoezegging. De bijdrage wordt per CAO vanaf 1 januari 2008 vastgesteld op 0,06 procent van het brutoloon, berekend aan 108 % en waarop RSZ‐inhoudingen worden gedaan. Deze bijdragen worden door de inrichter aan de solidariteitsinstelling overgemaakt voor het beheer en de financiering van de solidariteitsprestaties. De solidariteitsinstelling onderschrijft ter zake een middelenverbintenis. De solidariteitstoezegging wordt gefinancierd rekening houdende met de verplichtingen voorzien in het financieringsbesluit. In geval van tekorten, zoals bedoeld in art 6 van het financieringsbesluit, legt het solidariteitsfonds binnen de drie maanden aan de CBFA een plan voor om die toestand te verhelpen. Indien dit plan mislukt zal het Paritair Comité PC 121 beslissen hetzij over een wijziging van de solidariteitsprestaties en/of over een verhoging van de bijdragen, hetzij over de vereffening van het Fonds. De vereffeningsmodaliteiten zijn deze voorzien in geval van opheffing. 

Solidariteitsinstelling 

Artikel 4. De rechtspersoon aan wie, in uitvoering de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 november 2006, gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst van 26 september 2008, de uitvoering van de solidariteitstoezegging is toevertrouwd is het FBZ Sociaal Fonds voor de Schoonmaak. Een wijziging van de solidariteitsinstelling en de eventueel hiermee verbonden overdracht van reserves zijn onderworpen aan de voorwaarden bepaald door artikel 34 tot 37 van de WAP. In voorkomend geval licht de inrichter de aangeslotenen, alsook de CBFA in over de wijziging van solidariteitsinstelling. 

Solidariteitsfonds 

Artikel 5. In de schoot van de solidariteitsinstelling wordt een solidariteitsfonds ingericht, genaamd het PC 121 Solidariteitsfonds. De bijdragen voor de solidariteitstoezegging worden in dit solidariteitsfonds gestort. Het solidariteitsfonds wordt door de solidariteitsinstelling beheerd, afgezonderd van haar andere activiteiten. 

Verplichtingen van de inrichter 

Artikel 6. De inrichter gaat tegenover alle aangeslotenen de verbintenis aan alles te doen wat voor de goede uitvoering van de CAO bedoeld in artikel 1 1° van het pensioenreglement vereist is. Hij zal alle bijdragen bestemd voor de financiering van de solidariteitstoezegging zo spoedig mogelijk aan de solidariteitsinstelling doen toekomen. Bovendien zal hij alle voor de uitvoering van de solidariteitsprestaties nodige of gewenste inlichtingen tijdig aan de solidariteitsinstelling bezorgen. 

Verplichtingen van de aangeslotenen en zijn rechthebbende(n) 

Artikel 7. De aangeslotene onderwerpt zich aan de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1 1° van het pensioenreglement. De aangeslotene machtigt de inrichter alle inlichtingen op te vragen die voor de uitvoering van de solidariteitstoezegging vereist zijn. De aangeslotene of zijn rechthebbende(n) maakt(en) in voorkomend geval aan de solidariteitsinstelling alle inlichtingen en bewijsstukken over die nodig zijn om haar verplichtingen tegenover de aangeslotene of zijn rechthebbende(n) zonder uitstel na te komen. 
Mocht(en) de aangeslotene of zijn rechthebbende(n) een van de opgelegde verplichtingen niet nakomen, en mocht daardoor voor hem (hen) enig verlies van recht ontstaan, dan zal de inrichter in dezelfde mate als de solidariteitsinstelling ontslagen zijn van zijn verplichtingen tegenover de aangeslotene of zijn rechthebbende(n) in verband met de bij dit solidariteitsreglement geregelde prestaties. 

Solidariteitsprestaties

Artikel 8. §1. In overeenstemming met artikel 43, § 1 van de WAP, zoals uitgevoerd door het solidariteitsbesluit, heeft onderhavig solidariteitsreglement tot doel de hierna volgende solidariteitsprestaties toe te kennen:

  1. een aanvullende uitkering in rente in geval van overlijden van een aangeslotene tijdens de beroepsloopbaan. Deze rente is gelijk aan het bedrag dat bekomen wordt door de omzetting van een kapitaal van 1.250 € volgens de modaliteiten bepaald in artikel 28 van de WAP. Indien de aldus bekomen rente echter lager is dan 300 €, geïndexeerd conform de modaliteiten beschreven in artikel 28 §2 van de WAP, wordt in plaats van de rente het kapitaal van 1.250 € eenmalig uitbetaald. Het bedrag van 1.250 € geldt vanaf 1 januari 2008 en kan in de toekomst worden gewijzigd.
  2. De voortzetting van de werkgeversbijdragen voor onderhavig pensioenstelsel tijdens de vergoede periodes van bevallings‐ of zwangerschapsrust.
  3. De voortzetting van de werkgeversbijdragen ‐ op basis van het gemiddeld loon van de vier laatst bekende kwartalen ‐ voor onderhavig pensioenstelsel tijdens de periodes van ouderschapsverlof, vaderschapsverlof, verlof om palliatieve zorgen te verstrekken of om een zieke ouder te verzorgen. 

§2. De aangeslotene moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 8 van het pensioenreglement, alvorens hij of, in geval van overlijden zijn begunstigde(n), aanspraak kan (kunnen) maken op solidariteitsprestaties.

Artikel 9. De modaliteiten voor de toekenning van de solidariteitsprestaties zijn als volgt:

  1. Voor de prestatie vermeld onder artikel 8, §1, 1° is (zijn) de begunstigde(n) diegene(n) die aangeduid is (zijn) in artikel 10, 2° van het pensioenreglement. Om de solidariteitsuitkering voorzien in geval van overlijden te ontvangen dienen geen andere formaliteiten vervuld dan deze voorzien in artikel 8 van het pensioenreglement. Aanvragen die meer dan vijf jaar na de datum van het overlijden van de betrokkene worden ingediend komen niet meer in aanmerking voor de bedoelde solidariteitsprestatie. Uitkeringen zijn onderworpen aan de wettelijke afhoudingen voor sociale lasten, belastingen en taksen. 
  2. De prestaties vermeld onder artikel 8, §1, 2° worden op vraag van de inrichter door de solidariteitsinstelling overgemaakt aan de pensioeninstelling zonder dat de aangeslotene hiertoe een aanvraag moet indienen.
  3. De prestaties vermeld onder artikel 8, §1, 3° worden toegekend op vraag van de betrokkene op basis van een aangifteformulier dat op eenvoudig verzoek kan bekomen worden bij de inrichter. Aanvragen die meer dan vijf jaar na de einddatum van de betrokken periode worden ingediend komen niet meer in aanmerking voor de bedoelde solidariteitsprestatie 

Wijzigingsrecht

Artikel 10. Dit solidariteitsreglement kan worden gewijzigd en zelfs worden opgeheven door de inrichter. Het bedrag van het kapitaal bij overlijden vermeld in artikel 8, §1, 1° kan echter door de inrichter worden gewijzigd zonder te moeten overgaan tot een wijziging van het solidariteitsreglement.
De solidariteitstoezegging geeft geen aanleiding tot de vestiging van verworven rechten noch in geval van uittreding, zoals bedoeld in artikel 13 van het pensioenreglement, noch in geval van wijziging of opheffing van het solidariteitsreglement.

De bescherming van de persoonlijke levenssfeer 

Artikel 11. De inrichter en de solidariteitsinstelling verbinden zich ertoe de wetgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer te eerbiedigen. Zij zullen de persoonsgegevens waarvan zij in kennis gesteld worden in het kader van de huidige solidariteitsregeling slechts mogen verwerken in overeenstemming met het voorwerp van deze regeling. De inrichter en de solidariteitsinstelling verbinden zich ertoe om de gegevens bij te werken, te verbeteren, alsook de onjuiste of overbodige gegevens te verwijderen. 

Zij zullen de gepaste technische en organisatorische maatregelen treffen die nodig zijn voor de bescherming van de persoonsgegevens tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, het toevallig verlies, de wijziging van of de toegang tot, en iedere andere niet toegelaten verwerking van persoonsgegevens. 

Wijzigingen van solidariteitsinstelling en overdrachten 

Artikel 12. Wijzigingen van solidariteitsinstelling en overdrachten zijn onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 34 tot 38 van de WAP. 

Opheffing 

Artikel 13. Ingeval van opheffing van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, zullen de overblijvende middelen van het solidariteitsfonds, na aftrek van de provisies voor lopende solidariteitsprestaties en voor te voorziene kosten in verband met de opheffing van het solidariteitsfonds, in geen geval worden teruggestort aan de inrichter. Zij zullen worden toegekend onder vorm van een uitzonderlijke bijdrage aan de pensioenregeling ten bate van alle aangeslotenen die bij de opheffing van het pensioenstelsel voldeden aan de voorwaarden bepaald in art. 8 van het pensioenreglement. Deze uitzonderlijke bijdrage wordt voor elke aangeslotene berekend in verhouding tot de verworven reserve waarover hij beschikt in het kader van het pensioenstelsel, desgevallend aangevuld tot de minimumbedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24, § 2 van de WAP. Indien er geen overschot is, maar er voldoende middelen overblijven voor de lopende prestaties, zullen deze worden uitgevoerd ongeacht of er voldoende activa overblijven om de te voorziene kosten te dekken. Indien er onvoldoende middelen overblijven om de hangende prestaties volledig uit te keren worden zij pro rata verminderd en eventueel geannuleerd. In beide laatste gevallen neemt de oprichter hetzij het saldo van de kosten hetzij het geheel van de kosten in verband met de opheffing van het solidariteitsfonds te zijnen laste.

Terug naar boven